Elke winter krijgen we wel een aantal telefoontjes of mails van bezorgde wandelaars die onze runderen of paarden zijn tegengekomen in een winters landschap. Leuk dat die reflex er is. Maar gelukkig zijn onze dieren in goede handen en worden ze van nabij opgevolgd door onze veeverzorgers. Toch blijft de vraag of bijvoederen een goede keuze is er eentje waar je niet zomaar eventjes een antwoord op kan geven.

Wij legden ons oor dan ook te luisteren bij David Beyen, natuurbeheerder, en Kristel Vautmans, veeverzorgster, beiden werkzaam bij Limburgs Landschap.

Visie van vee-verzorgster, Kristel Vautmans

De herfst heeft zijn intrede gedaan en de winter zal snel volgen. Elk jaar duikt dan dezelfde vraag opnieuw op, wat met onze grote grazers? Zullen ze in staat zijn om deze winter voldoende voedsel te vinden om tot maart,  als het nieuwe gras begint te groeien,  in een redelijke conditie door te komen?
Om hier een objectieve beslissing over te nemen, moeten we natuurlijk ook kijken naar de draagkracht van het gebied en de seizoenen.

“Als veeverzorger ben je zowel bezig met de conditie van de grazers, als met die van de natuur”

Op voedselrijke grond groeit meer dan op voedselarme grond en de voedselkwaliteit van die gewassen is ook nog eens beter. De structuur van de vegetatie maakt ook een verschil: in een donker bos is minder voedsel dan in een open bos met een goed ontwikkelde struik- en kruidlaag. Een jong bos met laag hangende takken en bladeren biedt meer voedsel dan een oud bos met hooguit wat eetbare bast en schors. In het zomerhalfjaar is alles groen en de vegetatie blijft aangroeien. In de winter daarentegen staat de groei op een laag pitje en zijn veel kruiden en grassen verdord en minder voedzaam. Daar komt nog bij dat het winterhalfjaar vaak nat is.

Veel grazers vangen voedselschaarste op door in de (na)zomer een dikke vetlaag aan te leggen en daar in de winter op te teren. Iedere grazer eet op zijn eigen manier en heeft zijn eigen voorkeuren. Grote grazers hebben veel voedsel nodig, maar kunnen met een schralere vegetatie overweg omdat ze in de winter overgaan op een wintermodus en hun lichaam met minder energie kan rondkomen. 

Door de dieren jaarlijks te monitoren op het slechtste moment van het jaar – het eind van de winter – krijg ik als veeverzorger een goede indruk van de hoeveelheid voedsel die beschikbaar is. Zijn alle dieren aan het eind van de winter nog moddervet, dan hebben ze hun vetvoorraad niet of nauwelijks aangesproken en staat er dus voldoende te eten. Zijn de dieren aan het eind van de winter mager maar vitaal, dan zijn vetvoorraad en voedselbeschikbaarheid met elkaar in balans. Wisselende weersomstandigheden maken dit simpele plaatje complex. Na een zeer zachte winter zijn alle dieren in topconditie en na een zeer droge zomer en een in een extreem strenge winter moeten we  misschien bijvoeren om te voorkomen dat de dieren te ver in conditie teruglopen. Deze beslissing maken we op basis van een objectieve schaal waarop we de conditie van elke grazer scoren. Het blijven immers levende wezens die aan vijf vrijheden moeten voldoen: vrij zijn van honger en dorst, vrij van ongemak, vrij van pijn en verwondingen, vrij om normaal gedrag te vertonen en vrij van angst en stress.

Het is dus mijn verantwoordelijkheid als veeverzorger om niet alleen naar de conditie van de vegetatie en van de natuur te kijken, maar vooral ook naar de conditie van de grazers. Tijdens de winter is het dus nodig om wekelijks de vetlaag van de dieren te beoordelen en indien nodig de beslissing te nemen om bij te voederen zodat de dieren vrij blijven van honger, ongemakken en stress.
Bron: https://www.ark.eu/nieuws/

Visie van natuurbeheerder, David Beyen

De inzet van grote grazers is een beheermaatregel. De dieren worden ingeschaard op grotere, dynamische natuurterreinen als hulp om de natuurdoelen te verwezenlijken. Door hun toedoen ontstaat er een mozaïekstructuur in de vegetatie.

De grootste beheerhulp van de dieren wordt verhoopt bij het tegengaan van jonge opslag in zones waar een open vegetatie het streefdoel is. Over grote oppervlaktes is het niet haalbaar alles te maaien. Bovendien blijft na maaien een vrij homogene vegetatiestructuur over, terwijl de begrazing bijdraagt aan een meer gevarieerde structuur.

“Het correct inschatten van de conditie van het vee en niet te snel ingrijpen is cruciaal”

Hat aantal dieren dat wordt ingezet, wordt bepaald aan de hand van de gestelde streefdoelen, het voedselaanbod en de terreinomstandigheden. ’s Winters liggen sommige gebieden er natter bij waardoor ze kwetsbaar worden voor betreding.

Het bepalen van de veebezetting is een zoeken naar evenwicht tussen de zomer- en winterbezetting. ’s Zomers kan de begrazing de hoge vegetatie-aangroei niet volgen. Hierdoor blijft een voedselreserve over voor in de winter. Deze reserve mag niet te groot worden, want dan wordt ze ’s winters niet weg gegraasd en zal het terrein geleidelijk dichtgroeien. Anderzijds mag de reserve niet te laag zijn, zodat er voldoende is om de winter door te komen. Hierbij wordt rekening gehouden dat in de ongunstige periode de dieren ook aan minder lekkere, houtige vegetatie gaan eten en het hoogste beheereffect wordt bereikt.

Onze veeverzorgers volgen jaarrond het welzijn van de runderen en paarden op. In de winter monitoren ze de lichaamsconditie van de grazers. Met het voortschrijden van de winter zal de conditie afnemen. De dieren zullen hun eigen reserves moeten aanspreken. De conditie mag echter niet te laag zakken, zodat de gezondheid in gevaar komt.

De herfstperiode leent zich om de aantallen actief te regelen en af te stemmen op de winter. Vooral met de dieren van 1,5-2,5 jaar kunnen we ‘spelen’. Een gedeelte wordt ingezet op nieuwe gronden. Een ander deel wordt verkocht om het eigen aandeel in de beheerkosten te helpen dragen.

De uitdaging is om ’s winters een zodanige veebezetting te hebben dat de dieren voldoende eten uit het terrein kunnen halen, zonder bij te voederen. Want bijvoederen betekent dat organisch materiaal wordt ingebracht, wat niet wenselijk is. Het correct inschatten van de lichaamscondities en niet te snel ingrijpen is cruciaal. Hoe sneller er bijgevoerd wordt, hoe lager het beheereffect op houtige vegetatie zal zijn.

Bij extreme omstandigheden is bijvoederen soms nodig. In langdurig strenge winterperiodes moeten de vetreserves sterker aangesproken worden en kan het zijn dat het voedselaanbod te laag is om de winter door te komen. Daarnaast kunnen bij veel sneeuwval of bij hoogwater de voedselbronnen onbereikbaar worden.

Het bijvoederen moet gestopt worden zodra de omstandigheden dit terug toelaten. Bovendien mogen de zwakste dieren niet de aanzet geven tot bijvoederen. Het is beter om deze uit de kuddes te verwijderen. Aldus behouden we op lange termijn sterkere dieren die makkelijker op eigen kracht ongunstige periodes overleven.

Bezoekers hebben de neiging om in de winterperiode de dieren zielig te vinden. Als leek is het onmogelijk om de situatie correct in te schatten. Zelf bijvoederen is dus zeker uit den boze. Niet alleen vanuit natuurbeheeroogpunt, maar ook omwille van het dierenwelzijn en de veiligheid. Het meegebrachte voedsel kan de dieren ziek maken. Tevens kan het voederen leiden tot opdringerige dieren, waardoor gevaarlijke situaties ontstaan.

Als je als bezoeker twijfels hebt bij de gesteldheid van de dieren, neem dan contact op met ons, om dit te melden. Dan kan de situatie bekeken worden en er een gepast gevolg aan worden gegeven.

Share This